Financieel beleid

Inleiding

Het financieel beleid (afgeleid van het strategisch beleidsplan) van de Graafschap Groep is gericht op het blijvend realiseren van de doelstelling(en) van het strategisch beleid, zowel op korte als op de langere termijn, door financiële faciliteiten zodanig in te zetten en te beheren, dat de aanwezige risico’s op een verantwoorde wijze worden gedekt. Financieel beleid dient een instrument te zijn om strategische ontwikkeling en beleidsvertaling van de Graafschap Groep te sturen en te stimuleren. Strategische en onderwijskundige doelen dienen gekoppeld te worden aan financiële middelen.

Doelstelling

Het algemene doel van het financieel beleid is enerzijds het beheren van middelen van de organisatie en anderzijds het sturen van deze middelen naar het bereiken van de strategische doelstellingen, op een zodanige manier dat de Graafschap Groep als organisatie kan blijven voortbestaan. Het financieel beleidsplan beschrijft de maatregelen die zorgen voor de juiste balans tussen het financieel beleid als beheersinstrument en als strategisch stuurinstrument.

Uitgangspunten

De belangrijkste drijfveer blijft de continuïteit van goed onderwijs. Daarnaast is het blijvend realiseren van de doelen van het strategisch beleid een belangrijk uitgangspunt voor dit financiële beleidsplan. Hiermee wordt onderstreept dat de kerntaak het verzorgen van onderwijs is en dat alle andere beleidsterreinen in relatie tot deze taak dienstbaar zijn. Voorts zijn de volgende uitgangspunten van toepassing op het financiële beleid:

  • Het beleid is gericht op een gezonde exploitatie en vermogenspositie als basis voor continuïteit van de organisatieen gegarandeerde kwaliteit van onderwijs.
    Het beleid is tevens gericht op een zorgvuldig investeringsbeleid en afschrijvingsbeleid waarbij activa aan het eind van de afschrijvingstermijn kunnen worden vervangen. Conform de grondslagen voor de jaarrekening worden de jaarlijkse afschrijvingen berekend over de aanschafwaarde van de vaste activa. Rekening houdend met jaarlijkse inflatie van circa 1,8% (gemiddelde inflatie in Nederland in de afgelopen 10 jaar), zullen de vrijgekomen liquide middelen uit afschrijvingen aan het eind van de geraamde levensduur van deze activa niet toereikend zijn om de vervangingsinvesteringen hiermee te financieren. Het beleid van de Graafschap Groep is er op gericht te komen tot een ideaalcomplex waarbij vervangingsinvesteringen kunnen worden gefinancierd met eigen liquide middelen, voortkomend uit afschrijvingen en aangevuld met exploitatieoverschotten ter dekking van de inflatie gedurende de levensduur van de activa. Om dit te waarborgen wordt er gestreefd naar een rentabiliteit (nettoresultaat) van circa 2% en een minimale solvabiliteit van 60%. Tevens wordt er jaarlijks voorzien in een passende liquiditeitsbegroting.
  • Het beleid is zodanig ingericht dat (onderwijs)innovatie en realisatie van strategische doelen een herkenbare plaats innemen bij de bestemming van middelen. Daarnaast is het beleid gericht op het voldoen aan wet- en regelgeving.
    Daartoe wordt jaarlijks circa 2% van de totale baten gereserveerd voor strategie, innovatie en (externe) advisering en toegevoegd aan de begroting college van bestuur. Dit budget is niet bedoeld om alle lasten die voortvloeien uit datgene wat hiervoor is genoemd (centraal) te betalen. Het uitgangspunt is dat zowel onderwijssectoren als de diensten binnen de sector Bedrijfsvoering uit de structurele middelen een belangrijk deel inzetten voor innovatie, strategische doelen en (externe) advisering. De beschikbare middelen vanuit het collegebeleid zijn dan ook bedoeld als stimuleringsgelden. Het college van bestuur kan hiermee voor het komende begrotingsjaar een (financiële) impuls geven aan datgene wat (extra) aandacht verdient.
  • Het beleid is gericht op het faciliteren van een boven sectoraal budget voor gemeenschappelijke personele lasten.
    Dit budget wordt gevormd door een vaste bijdrage door de onderwijssectoren en de sector Bedrijfsvoering van 2,5% van de loonkosten. Als gemeenschappelijke personele lasten worden onder meer aangemerkt: Pedagogisch didactische scholing door derden en interne scholing via de Graafschap Academie, kosten van medische begeleiding en coaching, loonkosten van langdurig zieken en de kosten van werving en selectie. Daarnaast komt de personele inzet ten behoeve van bepaalde boven sectorale taken ten laste van deze voorziening. Het college van bestuur is eigenaar van dit budget. Reden voor het vormen van een centraal budget ligt in het feit dat genoemde kosten van jaar tot jaar aanzienlijk kunnen verschillen per sector en in enig jaar een te grote belasting kunnen zijn voor een sectorbegroting. Hierdoor kan het realiseren van doelstellingen in het gedrang komen.
  • Het beleid is gericht op het initiëren, stimuleren en handhaven van een kostenbewust denken en handelen, waarbij begrotingsdiscipline als vanzelfsprekend wordt ervaren. Onder begrotingsdiscipline wordt verstaan: het zodanig uitvoeren van de begroting dat eventuele uitgavenoverschrijdingen worden gecompenseerd door meevallers en/of hogere baten. Financiële rapportages, waarbij begroting en uitputting met elkaar worden vergeleken, vormen een onderdeel van de (financiële) planning en control cyclus. Dit stelt budgethouders in de gelegenheid om tijdig maatregelen te nemen om overschrijdingen te beteugelen en uitgaven bij te stellen.

Hardheidsclausule

Het college van bestuur is bevoegd om van de hiervoor genoemde uitgangspunten af te wijken, indien de onverkorte toepassing tot niet aanvaardbare gevolgen met onevenredige nadelen zou leiden. Omstandigheden waaronder gebruik kan worden gemaakt van de hardheidsclausule:

  • Een (verwachte) toename of een afname van de deelnemerswaarde ten opzichte van het vorig schooljaar van meer
    dan 2½%.
  • Indien in verband met personele (wachtgeld)verplichtingen een beroep op het wachtgeldbudget moet worden
    gedaan dat groter is dan het bedrag waar op grond van ervaringscijfers rekening mee is gehouden bij de allocatie
    van de beschikbare middelen.
  • Indien de jaarlijkse lasten, voortvloeiend uit het meerjarenhuisvestingsplan tijdelijk hoger zijn dan het beschikbare
    budget voor huisvesting.